De inflatie in Nederland is in juli gedaald naar 2,9 procent, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een maand eerder stond het inflatiecijfer nog op 3,1 procent. Daarmee komt de daling overeen met de snelle raming die op 1 augustus werd gepubliceerd.
Het CBS meet de inflatie aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI), die de prijsontwikkeling vergelijkt met dezelfde maand een jaar eerder. Consumentengoederen en -diensten waren in juli gemiddeld 1,3 procent duurder dan in juni, mede door seizoensinvloeden zoals hogere ticketprijzen in de vakantieperiode.
Huisvesting en recreatie drukken inflatie
De prijsontwikkeling van huisvesting had in juli een neerwaarts effect op de inflatie. Woninghuren lagen 4,9 procent hoger dan een jaar eerder, terwijl die stijging in juni nog 5,4 procent was. Ook de prijzen voor verblijven in bungalowparken droegen bij aan de daling.
De grootste bijdrage aan de inflatie kwam nog steeds van de categorie ‘huisvesting, water en energie’ (1,13 procentpunt), gevolgd door voedingsmiddelen (0,55 procentpunt) en diverse goederen en diensten (0,47 procentpunt). Horecaprijzen drukten het cijfer juist minder, met een bijdrage van 0,08 procentpunt tegenover 0,29 procentpunt in juni.
Inflatie eurozone stabiel op 2,0 procent
Naast de nationale CPI publiceert het CBS ook de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). Deze lag in juli voor Nederland op 2,5 procent, tegenover 2,8 procent in juni. In de eurozone bleef de inflatie stabiel op 2,0 procent.
Het verschil tussen de CPI en de HICP zit vooral in de kosten van het wonen in een eigen woning. De HICP houdt daar geen rekening mee, terwijl deze kosten in de CPI zijn gebaseerd op de ontwikkeling van woninghuren.
Nieuw basisjaar in 2026
Vanaf 2026 wordt voor de CPI en de HICP een nieuw basisjaar gehanteerd: 2025=100. Daarbij wordt ook de indeling van goederen en diensten aangepast om beter aan te sluiten bij veranderde consumptiepatronen. De eerste cijfers volgens de nieuwe reeks verschijnen in februari 2026.
