Vastgelopen arbeidsmarkt: te lang weggekeken

01 januari 1970

Nederland heeft bepaald een verleden als het gaat om arbeidsmarkt-vraagstukken. In de 17e en 18e eeuw was Nederland wereldspeler in de slavenhandel. Met het opkomen van de mijnindustrie kwamen ook tienduizenden buitenlandse gastarbeiders naar Nederland. ‘Gastarbeider’, want het was de bedoeling dat de arbeiders terugkeerden. Na de oorlog ging het economisch zo voorspoedig – mede dankzij de aardgasbaten – dat ‘wij’ onze neus ophaalden voor ‘smerig’ werk. Schoonmaken van de treinen lieten we over aan gastarbeiders.

Ondertussen ontwikkelde Nederland zo ongeveer het beste sociale stelsel ter wereld. We hadden een geweldige arbeidsproductiviteit, onder meer omdat voor iedereen waar een vlekje aan zat wel een sociale regeling was. De regering kwam in de problemen toen we de grens van één miljoen arbeidsongeschikten (WAO’ers) naderden op een beroepsbevolking van ruim tien miljoen mensen. Dat was niet meer te verkopen.

De oplossing was overigens niet inhoudelijk maar – op zijn Haags – vooral cosmetisch. Het leger arbeidsongeschikten werd herkeurd en kwam in andere regelingen terecht.

Ondertussen lieten we de Polen onze asperges steken, onze bloembollen pellen. We hebben dat geaccepteerd: onze mensen in de bijstand haalden hun neus op voor dat werk. Proeven waarbij bijstandstrekkers in een bus naar de kassen werden gereden om kennis te maken met pluk- of snijwerk liepen uit op een fiasco. We hebben erom gelachen met zijn allen.

Zonder Polen – en anderen – zouden nu heel wat fabrieken in het land leegstaan, veel bouwplaatsen verlaten zijn en veel groente, fruit en bloemen wegrotten en verwelken. Onze economie draait mede op de inzet van buitenlanders, mede-Europeanen. Het Limburgse uitzendbedrijf OTTO is een van de nieuwe kampioenen van de buitenlandse bemiddeling geworden.

Iedereen vindt de gegroeide situatie eigenlijk prima; Den Haag, de werkgevers en ‘werkend Nederland’. Voor iedereen die wil werken, is er werk genoeg.

Werkgevers hebben bij WijLimburg al vaker geklaagd over de arbeidsmentaliteit van velen (met name ook jongeren) die niet werken: ze hebben liever een uitkering en kunnen dan op de bank liggen of op het terras in Valkenburg zitten. Ik heb de afgelopen jaren bij bedrijfsbezoeken diverse werkgevers gesproken in Noord-Holland, die vaak liever Polen in de productie hebben dan Nederlanders. Polen melden zich niet op de laatste minuut ziek als ze om 6.00 uur ’s morgens moeten beginnen. Ook daar hetzelfde beeld als in Limburg.

Limburg krijgt de komende twee jaar 20.000 extra banen te vervullen, terwijl de beroepsbevolking rap vergrijst. De keuze van Inditex voor Lelystad laat zien dat Limburg een groot probleem heeft. Bij het vinden van voldoende mensen voor VDL Nedcar kraakt het al langer. Medewerkers moeten gezocht worden: het is niet zo dat mensen zonder een baan of zonder werk spontaan in actie komen.

Dat  steekt schril af tegen andere cijfers: 1,1 miljoen mensen landelijk in een sociale regeling. Waarvan meer dan de helft niet kan werken vanwege gezondheidsproblemen, zo meldde het CBS begin oktober.

In Limburg gaat het om tienduizenden mensen die in de bakken van de gemeenten zitten. Daar zit een ‘granieten’ laag in van mensen die niet kunnen werken, die psychische problemen hebben.  Maar als we die laag buiten beschouwing laten, moeten er alleen al in Limburg nog duizenden mensen wel aan de bak kunnen worden geholpen. Maar dan moeten we eerst de sociale hangmat onder ze uit trekken. Als die ‘opgelijnd’ hadden gestaan, had Inditex voor Limburg kunnen kiezen.

Probleem zal blijven dat het zo goed gaat met de Nederlandse economie, dat we onvoldoende ‘pijn’ voelen om te veranderen. We zijn geen land van stevige ingrepen in de arbeidsmarkt, in het sociale stelsel. De provincie Limburg trekt een paar miljoen uit voor een nog niet zo heel concreet ‘aanvalsplan’: we gaan zaken ‘intensiveren’. We blijven in het grotere geheel gewoon pappen en nathouden.  Totdat de robotisering het probleem van te weinig handjes oplost.

Tegen die tijd zijn de beslissers, bestuurders en beleidsmakers van nu  ongetwijfeld met pensioen. Wat hebben we het toch goed voor elkaar met zijn allen.

Maurice Ubags