De beloning van werknemers en zelfstandigen in de Nederlandse marktsector steeg in 2025 sneller dan de operationele winsten van bedrijven. De arbeidsinkomensquote klom naar 70,6 procent, een toename van 0,2 procentpunt ten opzichte van 2024. Dit blijkt uit nieuwe voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Arbeidsinkomensquote stijgt, maar langetermijntrend blijft dalend
De langetermijntrend toont een aanzienlijke daling: in 1995 bedroeg de arbeidsinkomensquote nog 81,4 procent, wat aangeeft dat het aandeel van arbeid in het totale inkomen van de marktsector structureel is afgenomen.
Voor ondernemers betekent deze ontwikkeling dat loonkosten relatief sneller stijgen dan bedrijfswinsten, wat druk op winstmarges kan veroorzaken. Bedrijven die afhankelijk zijn van arbeidsintensieve processen moeten rekening houden met toenemende personeelskosten, terwijl de mogelijkheid om deze door te berekenen in prijzen beperkt kan zijn. Dit vraagt om aandacht voor productiviteitsverbetering en efficiencywinsten om de rentabiliteit op peil te houden.
Arbeidsinkomensquote marktsector groeit licht
De arbeidsinkomensquote geeft aan welk deel van het totaal verdiende inkomen terechtkomt bij werknemers en zelfstandigen als beloning voor arbeid. Het resterende deel vormt de operationele winst van bedrijven. Hoewel de quote in 2025 steeg, laat de langetermijntrend een daling zien. In 1995 bedroeg de arbeidsinkomensquote voor de marktsector nog 81,4 procent. Sindsdien daalde deze trendmatig met ruim 10 procentpunt.
De marktsector omvat de gehele economie met uitzondering van de overheid, het onderwijs, de zorg, verhuur van en handel in onroerend goed, delfstoffenwinning en financiële dienstverlening. Binnen deze sector bestaan grote verschillen tussen bedrijfstakken. Kapitaalintensieve sectoren die veel machines en vervoermiddelen gebruiken, hebben een lagere arbeidsinkomensquote omdat hun operationele winsten relatief hoger zijn.
Informatie en communicatie kent sterkste stijging
De bedrijfstak informatie en communicatie laat de grootste toename zien. Daar steeg de arbeidsinkomensquote van 77,2 procent in 2024 naar 82,3 procent in 2025. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij steeg de quote van 77,5 naar 80,2 procent. Daarnaast groeide de arbeidsinkomensquote in cultuur, sport en recreatie van 77,1 naar 79,2 procent.
Tegelijkertijd daalde de quote in verschillende andere sectoren. De handel zag een afname van 63,8 naar 62,1 procent. In de energievoorziening daalde de arbeidsinkomensquote van 41,2 naar 39,8 procent. Ook de industrie, bouwnijverheid en overige dienstverlening noteerden een lichte daling. De horeca en waterbedrijven en afvalbeheer hielden hun arbeidsinkomensquote stabiel op respectievelijk 85,8 en 69,1 procent.
Chemische industrie stijgt, reisbranche daalt sterk
Over een periode van dertig jaar vertoont de chemische industrie een opvallende ontwikkeling. De arbeidsinkomensquote in deze sector steeg van 51,9 procent in 1995 naar 92,8 procent in 2025. Met name de afgelopen vier jaar liet deze bedrijfstak een sterke groei zien. De operationele winst van bedrijven in de chemische industrie lag in 1995 hoger dan in 2025, terwijl de lonen in dezelfde periode stegen.
De reisbranche daarentegen kent de grootste daling. Bij reisbureaus, reisorganisatie en reisinformatie zakte de arbeidsinkomensquote van 87,5 procent in 1995 naar 21,4 procent in 2025. Dit betekent een afname van 66 procentpunt. De beloning van arbeid nam in deze periode toe met 1,8 miljard euro, maar de operationele winst van bedrijven groeide met 8,6 miljard euro.
Voorlopige cijfers met mogelijke bijstellingen
Het CBS publiceert de arbeidsinkomensquote op basis van voorlopige jaarcijfers. Na deze eerste berekening komt voortdurend meer informatie beschikbaar over de Nederlandse economie. Deze nieuwe gegevens worden verwerkt in daaropvolgende berekeningen. Pas na twee jaar zijn de cijfers definitief, na de derde berekening.
In de periode 2018-2025 bedroeg de gemiddelde absolute bijstelling tussen de eerste en derde berekening 0,8 procentpunt. De kleinste bijstelling was 0,5 procentpunt in 2018, de grootste 1,5 procentpunt in 2020. Verdere informatie over de methodologie is beschikbaar via de website van het CBS.
Kernfeiten
- Arbeidsinkomensquote marktsector steeg naar 70,6 procent in 2025, een toename van 0,2 procentpunt ten opzichte van 2024
- In 1995 bedroeg de arbeidsinkomensquote nog 81,4 procent, wat een daling van ruim 11 procentpunt over 30 jaar aangeeft
- Lonen en zelfstandigeninkomens stegen in 2025 sneller dan operationele winsten van bedrijven
Veelgestelde vragen
Wat betekent de stijgende arbeidsinkomensquote voor mijn bedrijf?
Een stijgende arbeidsinkomensquote betekent dat een groter deel van uw bedrijfsopbrengsten naar loonkosten gaat. Dit kan uw winstmarge onder druk zetten, vooral als u niet kunt besparen op andere kosten of uw prijzen kunt verhogen. Het is belangrijk om uw personeelskosten en productiviteit regelmatig te monitoren.
Hoe beïnvloedt dit arbeidsmarkttrend mijn loonbeslissingen?
De stijging van lonen sneller dan bedrijfswinsten geeft aan dat arbeidsmarktdruk toeneemt. Dit kan betekenen dat u concurrerend moet blijven in salarissen om goed personeel aan te trekken en te behouden. Tegelijkertijd moet u voorzichtig zijn met loonverhogingen die uw bedrijf niet kan dragen zonder winstmarges aan te tasten.
Wat zijn de gevolgen van de langetermijndaling van de arbeidsinkomensquote?
De daling van 81,4 procent in 1995 naar 70,6 procent in 2025 toont aan dat bedrijfswinsten structureel zijn gestegen ten opzichte van loonkosten. Dit suggereert dat automatisering, efficiencyverbeteringen en kapitaalintensivering hebben bijgedragen aan hogere winstmarges in de marktsector, hoewel dit niet voor alle bedrijven gelijk opgaat.
Welke acties zijn relevant voor ondernemers om met deze trend om te gaan?
Focus op productiviteitsverbetering door investering in technologie en training kan helpen loonkosten efficiënter in te zetten. Daarnaast is het belangrijk om uw bedrijfsmodel regelmatig te evalueren en na te gaan of u voldoende marge hebt om toekomstige loonverhogingen op te vangen zonder winstabiliteit in gevaar te brengen.
